d’ Aloude Rethorijckkamer der Pellicanisten onder de zinspreuk TROU MOET BLYCKEN

Deze rederijkerskamer bestond al vóór 1503. In het gemeentearchief bevindt zich een stuk uit 1503 waarin Trou Moet Blycken. de oude kamer wordt genoemd. Trou is dus ouder en de oprichtingsdatum moet ver voor 1503 worden gezocht. De rederijkerij is waarschijnlijk tegen het einde van de dertiende eeuw ontstaan en is vermoedelijk in het kielzog van de Vlaamse migranten overgekomen naar Holland.
 
Een rederijkerskamer bestond uit een groep burgers met belangstelling voor dichtkunst en toneelspel. Zij werden door het stadsbestuur ook wel ingeschakeld bij feesten, zoals de blijde inkomste van de Landsheer of –Vrouwe, en bij het organiseren van optochten en toneelvoorstellingen in het openbaar. In die zin bepaalden zij mede het aanzien van de stad. Zij organiseerden ook Landjuwelen waarbij de kamers uit verschillende steden wedijverden in het opvoeren van toneelstukken en het houden van symbolische optochten. 
 
 
In 1606 waren de Pellicanisten de gastheren van zo’n evenement. Veertien bezoekende kamers schonken bij die gelegenheid schilderstukken op houten panelen met veel symboliek erin verwerkt, de zogenaamde blazoenen. Op Trou’s eigen blazoen prijkt de pelikaan die haar jongen voedt met het bloed uit haar open gepikte borst. Volgens de overlevering doen pelikanen dat bij voedselschaarste. Hierin zag men een analogie met de zelfopoffering van Christus.
 
Al voor het begin van de Opstand tegen Spanje (1568-1648) had koning Philips II alle literaire uitingen verboden die kwetsend zouden kunnen zijn voor orthodoxe gelovigen of beledigend voor de clerus. Toen Leicester, door Elizabeth I gezonden om de Hollanders bij te staan, in 1586 Haarlem bezocht, vertoonde De Pellicanisten tableaux vivants van Alva’s terreur in de Nederlanden.

Na de overgang van de Noordelijke Nederlanden naar het protestantisme ontstonden er dikwijls conflicten met calvinistische fundamentalisten die de frivoliteiten van de rederijkerskamers niet op prijs stelden. Toch gaven de gemeentelijke autoriteiten in 1606 royale financiële steun aan bovengenoemd landjuweel. De kamer zette tegelijkertijd een loterij op touw waarvan de opbrengst was bestemd voor de stichting van een oude-mannenhuis, het tegenwoordige Frans Halsmuseum.In de tweede helft van de zeventiende eeuw begon de ontwikkeling die Trou veranderde van een rederijkerskamer in een herensociëteit.
 
De jaarlijks door de Factor voorgedragen jaarzang zet de literaire traditie nog altijd voort. Op het hoogtepunt van haar ledental (300-350 Broeders tussen 1880 en 1885) huisde de vereniging in het gebouw op de hoek van de Grote Markt en de Grote Houtstraat, waarin nu het Verweymuseum is gevestigd.
 
Trou is de enige rederijkerskamer in Nederland die onafgebroken is blijven bestaan. Het huidige pand was het stadshuis van de familie Quarles van Ufford en werd door Trou in 1922 overgenomen. Op beide gevelhoeken van de sociëteit prijken nu de pelikanen. Alhoewel het rederijkersaspect in de loop der eeuwen op de achtergrond is geraakt, wordt een aantal tradities nog steeds in ere gehouden.
 
De kamer heeft in 2003 met ca 250 leden, traditiegetrouw broeders genoemd, haar vijfde eeuwfeest gevierd, en viert in 2013 haar 102de lustrum.